Temperatuur

Werkstukken en spreekbeurten

De temperatuur wordt gebruikt om te meten hoe warm of hoe koud iets is. Het koudste bekende temperatuur is het absolute nulpunt. De temperatuur wordt gemeten met een thermometer.

Lichaamstemperatuur

Als je gezond bent, heeft je lichaam een temperatuur van 37 graden. Als je lichaam te warm wordt, ga je zweten. Het zweet verdampt en daardoor verlies je warmte. Als je lichaam te koud wordt, ga je rillen. Door de beweging van je spieren wordt je lichaam weer warmer.

Verandering temperatuur

Door verandering van temperatuur kan een stof van vorm veranderen. Het verandert van de ene vorm in de andere vorm. Een voorbeeld van deze verandering is ijs – water – stoom.

IJs, water en stoom zijn dezelfde stof. Maar dan in drie verschillende vormen. Water is een vloeistof. Als je het heel koud maakt, nul graden Celsius, dan bevriest het. Het wordt ijs. De vorm van ijs verandert niet. Het is dus een vaste stof. Als de temperatuur weer boven de nul graden komt, smelt het ijs. Het wordt weer vloeibaar: water dus. Als je water heel heet maakt, honderd graden Celsius, gaat het koken. Het begint te borrelen en er komt stoom af. Stoom bestaat uit heel kleine deeltjes water. De deeltjes kunnen alle kanten op. Stoom of waterdamp is daarom een gas. Als waterdamp afkoelt, wordt het weer water.