Temperatuur

Werkstukken en spreekbeurten

De temperatuur wordt gebruikt om te meten hoe warm of hoe koud iets is. Waarmee kun je de temperatuur meten?

Thermometer

De temperatuur wordt gemeten met een thermometer. Er bestaan verschillende soorten thermometers. Zoals een thermometer die je in je mond moet steken om te meten of je koorts hebt. Of een thermometer die buiten aan de muur hangt en aangeeft hoe warm of koud het is. De temperatuur wordt aangegeven in graden Celcius.

Lichaamstemperatuur

Als je gezond bent, heeft je lichaam een temperatuur van ongeveer 37 graden. Als je lichaam te warm wordt, ga je zweten. Het zweet verdampt en daardoor verlies je warmte. Als je lichaam te koud wordt, ga je rillen. Door de beweging van je spieren wordt je lichaam weer warmer.

Verandering temperatuur

Door verandering van temperatuur kan een stof van vorm veranderen. De stof verandert van de ene vorm in de andere vorm. Denk maar eens aan water, ijs en stoom. Water, ijs en stoom zijn dezelfde stof. Maar de stof kan drie verschillende vormen hebben: vloeistof, vaste stof en gas.

  • Water is een vloeistof. Als je water heel koud maakt, nul graden Celsius, dan bevriest het. Het wordt ijs. 
  • IJs is een vaste stof. Want de vorm van ijs verandert niet. Als de temperatuur weer boven de nul graden komt, smelt het ijs. Het wordt weer vloeibaar: water dus. 
  • Stoom (of waterdamp) is een gas. Als je water heel heet maakt, honderd graden Celsius, gaat het koken. Het water begint te borrelen en er komt stoom af. Die stoom bestaat uit heel kleine deeltjes water. Die deeltjes kunnen alle kanten op. Als waterdamp afkoelt, wordt het weer water.